Vlucht
 
NAJAAR 2016
 
 
Met een klap slaat Marc de deur achter zich dicht, zijn gebrul blijft in de hal hangen, een bijna tastbare woede: 'Je kunt ze kussen, stomme koe.' Mien staart hem minutenlang sprakeloos na. Beneden op straat start hun auto. Vorige week heeft ze oma begraven, en nu dit, het is om je de haren uit het hoofd te trekken. Dit had ze niet voelen aankomen, met Marc had het voor altijd moeten zijn. Het komt door het geld, het komt altijd door het geld. Ze is 36 en heeft behalve een rampzalig huwelijk al twee langdurige relaties achter de rug. Hij zal terugkomen, belooft ze zichzelf, dat kan niet anders, ook al heeft hij zijn koffers meegenomen en zijn reukwaters en scheerschuim: zo kan het niet eindigen. 
De dagen kruipen voorbij, de lage herfstzon legt goud op de bladeren in het park, de wolken zeilen naar het oosten; tijdens de repetities, op straat, op café, overal doet Hasselt alsof alles normaal is. 'Ha, Mien, alles kits?' vragen ze, en ze speelt het spel mee: 'Ja hoor!' Ze belt Marc - hij trakteert haar keer op keer op zijn voicemail. Vrienden zeggen haar dat hij weer bij zijn ouders woont; ze telefoneert met zijn moeder, die doet of ze nergens van weet. Nooit in haar leven heeft ze zich zo eenzaam gevoeld, ze drinkt te veel en slikt te veel pillen, tot hij haar op een maanloze nacht opbelt. 'Ja, Marc?' Haar hart springt bijna uit haar lijf van blijdschap. Hij spreekt met een dikke tong, noemt haar 'madame' en zegt dat hij de schuldeisers naar haar heeft gestuurd, eens kijken hoelang ze haar portemonnee zal dichthouden wanneer Branco voor haar staat. Misschien helpt het als ze haar benen ver genoeg opendoet. Klik, ingelegd. Heeft hij geld geleend bij Branco?
Even na middernacht hoort ze wat aan de deur, er wordt aan het slot gemorreld. Op dat moment slaat de angst zijn klauwen in haar lijf: dat het slecht met haar zou aflopen, was al lang voorspeld. Ze klemt een stoel onder de deurkruk en blijft de hele nacht waken; door het raam ziet ze vreemde mannen op straat, ze kijken omhoog. Bij het eerste ochtendlicht gooit ze wat spullen in een reistas en vlucht het appartement uit.

Brussel is niet ver genoeg, Branco heeft een lange arm. Ze vindt nog een vrije plaats in de trein naar Keulen en de angst reist met haar mee; daar aangekomen koopt ze een nieuw kaartje en reist door naar Hamburg. Een Duits meisje dat tegenover haar zit spreekt haar aan en vraagt of alles in orde is. Ze vertelt het meisje alles, Duits en Nederlands door elkaar, snotterend en snikkend. Belle Gladrow komt naast haar zitten, gromt dat het met mannen altijd hetzelfde is en legt haar arm over haar schouders. Ze is niet veel ouder dan twintig en ziet er vervaarlijk uit: links is ze blond, rechts purper, en voor elk jaar van haar leven heeft ze wel ergens een piercing - maar ze heeft een groot hart en ontfermt zich over de vluchteling. Eenmaal in Hamburg neemt ze haar mee naar een hotelletje in de buurt waar ze woont: daar zal Mien onvindbaar zijn voor haar belagers. Eerst op die groezelige kamer belt ze naar Cleuvenberg om hem te zeggen dat hij niet meer op haar moet rekenen. Uitleg kan ze niet geven, niemand mag weten waar ze is. Hij vloekt en briest, roept dat ze naar de duivel kan lopen en dat hij haar nooit meer een rol zal geven, in geen miljoen jaar. Ze zit op bed en vraagt zich af waarom Hamburg - toeval is het niet geweest. Haar eerste reis met haar eerste lief was naar Hamburg geweest: geen van beide twintig, dolverliefd en doodarm, en op zoek naar hun ware zelf. Ze sliepen bij vrienden van hem - en wanneer die hen eruit gooiden op een bank in een park of een station -, ze schuimden de kroegen af en rookten gratis wiet. Bruno had een rolletje in een pornofilm te pakken gekregen - hij werd er nooit voor betaald -; terwijl hij werkte, zwierf zij door de stad. In het begin onwennig, het weer zat niet mee, maar na een dag of twee verliefd. Verliefd op de bakstenen ravijnen van de Speicherstadt, de ijverige kanalen, het vriendelijke Alstermeer, zelfs op de zielloze Hafencity. Ze wandelde naast de Elbe, keek naar de drukte van de haven, liet zich door matrozen trakteren op heerlijke koffie. 's Avonds was er een opgefokte en onverzadigbare Bruno.
Als het dat Hamburg was dat ze zocht, ervaart ze vlug dat ze zich heeft mispakt. In de straat van het hotel zijn alleen nachtwinkels, bars en seksbedrijfjes. In elk portiek ziet ze schaduwen met gloeiende ogen, overal lopen mannen die door haar kleren heen gluren. Ze zit bijna de hele dag op die vlooienkamer, kijkt tv, staart door het raam, verschuilt zich in het smoezelige bed en komt alleen buiten om klefferig eten uit de muur te halen. Zodra het donker is, barricadeert ze haar deur en ligt ademloos te luisteren naar het gestommel, het gegil en het gevloek op de gang.

Wanneer Belle haar na een paar dagen komt opzoeken, ze is op weg naar haar werk, schrikt ze. Hoe ziet Mien er um Gotteswillen uit? Op haar bed ligt een halve hotdog, op de vensterbank staat een rij kartonnen bekertjes met verdroogde koffieresten. Mien bekijkt zichzelf in de verroeste spiegel en ziet een leeggelopen vrouw, doodsbleek, het haar samengeklit, de kleren scheef aan het lijf; een karikatuur van Mien Ooms uit Hasselt, een beklagenswaardig schepsel. Ze bekent Belle dat ze bang is, bang van de nacht, bang van de dag, bang van haar schaduw. Hamburg is veranderd, zegt ze, Hamburg wil haar niet meer. Belle gromt dat het zo niet verder kan, ze wil haar niet in een kist naar België zien terugkeren. Toch niet wegens een vent. Op haar kamer is geen plaats, die deelt ze al met een ander meisje, maar misschien heeft ze een oplossing. Ze telefoneert met haar zus, legt alles uit, en die gaat akkoord: als ze het wil kan ze de volgende dag naar zee. Zus en zwager van Belle bezitten daar een huisje, dat nu het toeristenseizoen voorbij is toch maar leeg staat: ze kan daar een tijdje blijven, tot de orkanen in haar leven tot rust zijn gekomen. Er bestaan nog mensen die haar de moeite waard vinden. Ze slaat haar armen om Belles hals en wil huilen, maar heeft geen tranen meer.
 
(Zo begint 'Een onverwachte Erfenis': verschijnt voorjaar 2019 bij Schrijverspunt)