Gisteren bezochten mijn vrouw en ik het graf van onze ouders. Dat betekende een rit met een koffer vol reusachtige chrysanten naar Temse, van Temse naar Putte in Nederland en weer naar huis. De honderd-mijl-tocht.
Maar het was veel meer dan dat. Hoewel de herinneringen aan vroeger onvermijdelijk verflauwen, hadden we allebei een sterk gevoel van verbinding met de jaren van onze jeugd. Weet je nog … wat ze toen zeiden … wat onze ouders deden. Hoe anders de tijden toen waren, hoe anders we zelf waren. Het was een soort terugkeer in de tijd, en staande op een kerkhof in het volle besef dat het voltooid verleden tijd was.
De graven links en rechts waren bezig te vervallen. Gebroken arduin, woekerend onkruid, door het klimaat en het mos weggevreten namen. Het oude deel van het kerkhof, zowel in Temse als in Putte, is langzaam aan het wegzakken in vergetelheid. Eenmaal ook de kinderen overleden zijn, en de kleinkinderen oud, worden die oude graven niet veel meer bezocht. Het graf van een oom was al geruimd – van nonkel Frans blijft geen spoor meer over.
Een oud kerkhof op een mistige ochtend, scheefgezakte zerken, vergeten zielen, lekkende bomen, meer Halloween bestaat er niet.
En toen we later door het dorp reden, zagen we ook daar dat het vroegere niet meer bestond en vervangen was door het nieuwe, het moderne, dat strak is en efficiënt. Het gemeentehuis waar we trouwden is verdwenen, gemeentefusie nietwaar, net als het winkeltje op de hoek.
Let op, niet dat het vroeger allemaal beter was – ik denk veeleer het omgekeerde. We leven rijker dan ooit in de geschiedenis, veiliger, gezonder en wat nog meer. De grote angst van onze tijd is niet het verlies van het verleden, maar of onze kinderen en kleinkinderen later ook nog kunnen zeggen dat het beter was dan ooit.